Training
| |

Spaanse pas
|

Passage
|

Piaffe
|
Een paard is niet in eerste instantie gebouwd om een mens te dragen en de
eerste opdracht voor een ruiter is dan ook: 'niet je paard in de weg zitten'.
Als dat gaat lukken, wordt het: 'maak het je paard makkelijker om jou te dragen'.
Dat wil zeggen: dat het paard zijn achterbenen verder onder de massa brengt.
Dat zie je aan de ruimere passen, maar er hoort ook bij, dat de buikspieren
actief zijn en het bekken kantelt. Hierdoor komt het zwaartepunt van paard wat
naar achter en gaat meer samenvallen met het zwaartepunt van de ruiter.
Bij een jong paard of een onervaren ruiter ligt dat zwaartepunt ongemakkelijk
dicht bij de voorbenen. Een paard kan daardoor moeilijk wenden of van tempo
veranderen.
Soms wordt dat ten onrechte aangemerkt als 'ongehoorzaamheid', maar het dier
kan er eigenlijk weinig aan doen.
Naarmate een paard de achterbenen meer onder de massa brengt, wordt ook de
bovenzijde van het paard wat boller. Dat voelt prettiger aan (zowel voor de ruiter
als het paard) en de hals gaat een soort kwart cirkel (de 'krul') vormen.
Doelstellingen
1. Takt: het paard moet lopen met gestage ritmische bewegingen
2. Ontspanning: het paard mag niet gespannen zijn in de rug, de hals,
de mond of met zijn staart
3. Impuls: het paard moet voldoende voorwaartse drang vertonen en
liefst 'swingen'
4. Rechtrichten: het paard mag niet scheef lopen met zijn lichaam,
hals of met zijn nek ('stelling').
5. Verzameling: het paard moet zijn achterbenen voldoende onder
de massa brengen, de graad van de verzameling hangt af van de
scholing van het paard en de graad van africhting.
In feite moet men deze 5 doelstellingen steeds tegelijkertijd nastreven.
Een paard dat 'sloft' zondigt tegen de vierde doelstelling (te weinig impuls), maar van een correct ritme
zal zelden sprake zijn en ontspanning kan dus ook niet bereikt worden.
Verzameling wil in feite zeggen, dat een paard kan 'spelen' met het eigen zwaartepunt en dat van de ruiter.
Dat wil zeggen: de overgangen verlopen vloeiend. Bij een overgang naar een snellere gang zet het dier zich
af omhoog, bij een overgang naar een langzamer gang vangt het dier (in meerdere of mindere mate) zichzelf
en de ruiter op op de achterbenen. Het dier moet dit 'even doorkrijgen' zodra het bereden wordt - van nature
doet een paard niet anders. Daarna is het een tijdlang nodig om het te bevestigen en de spieren hiervoor te trainen.
Dit komt zowel de ontspanning als de tact en de impuls zeer ten goede (ook het humeur, de gezondheid
en uiteindelijk de levensduur van het paard, trouwens).
Als er geen ontspanning is (omdat een paard bang is, de hulpen niet snapt of bijv. sloft) zal een paard
bijvoorbeeld. kleine, snelle vluchterige passen maken (geen mooi ritme), kan een paard geen aanleuning
nemen en van rechtrichten en verzamelen komt ook weinig terecht.
Als een paard loopt met stelling naar rechts en een gebogen hals naar links, is het dier niet 'recht'
(uiteraard: lengtebuiging gaat over buigen, maar we willen dan graag dat het hele paard gelijkmatig buigt.
Bij stelling rechts bij buiging naar links klopt er iets niet.)
Denkbaar heeft de ruiter geen fijn teugelcontact of is zelf scheef.
Waarschijnlijk loopt het paard op de voorhand wat noch de tact noch de impuls ten goede komt, vaak is het
ook een gevolg van een gebrek aan ontspanning.
Loopt het dier op een rechte lijn, is het de bedoeling dat de achterhoeven het spoor van de voorhoeven volgen.
In een manege is dit lastig 'op de hoefslag', langs de wand van de manege.
Een paard is nl. van achteren breder dan van voren en het dier loopt graag met zijn hele lichaam langs de wand -
gevolg: de binnenvoorhoef blijft meer naar buiten dan de binnenachterhoef.
Het paard loopt scheef met de achterhand naar binnen.
|